|
Hieronder kun je lezen over de periode, die wij nu de middeleeuwen noemen. De naam ‘middeleeuwen’ is eigenlijk pas later bedacht door de mensen, want hiermee bedoelen ze de periode tussen het Romeinse Rijk en de Renaissance in: de eeuwen midden tussen deze twee tijden. |
|
De Middeleeuwen, een uitleg |



|
De vroege middeleeuwen In 476 na Christus kwam er een eind aan het Romeinse Rijk. De laatste Romeinse keizer werd van zijn troon gestoten. Het Romeinse Rijk viel uiteen in twee delen: Het oostelijke deel, de Byzantijnse helft met Constantinopel als hoofdstad bleef nog lang bestaan. Maar met het deel waar wij nu wonen, het westelijke deel, ging alles heel anders. Germaanse stammen vielen het rijk binnen en vernietigden steden en handelsroutes. De Saksen werden de baas in Groot-Brittannië, de Franken namen Gallië over en de Goten werden de baas in Italië. Wanneer de middeleeuwen precies beginnen, is niet helemaal duidelijk. Maar ongeveer zeggen de meeste mensen dat de overgang van de Oudheid naar de middeleeuwen in de 4e of 5e eeuw na Christus begint. Tot en met de 10e eeuw waren er heel veel invallen, door Germaanse stammen als door andere stammen. Vooral langs de kust hadden de mensen veel last van de Noormannen of Vikingen. Ze voelden zich niet meer zo veilig en daarom begonnen de mensen muren of wallen om hun huizen heen te bouwen. Die waren natuurlijk van hout en zo ontstonden de eerste kastelen. Zo rond 900-1000 na Chr. werden de eerste stenen kastelen gebouwd, die veel beter waren en veel langer bleven staan. Hout kon natuurlijk wegrotten, stenen kastelen konden niet in brand worden gestoken en waren veel sterker. Deze tijd wordt wel de vroege of donkere middeleeuwen genoemd. Toch is de naam donkere middeleeuwen niet helemaal juist, het heeft meer te maken met de opvatting, dat veel ontwikkelingen van de Romeinen vergeten waren. Er waren ook goede tijden, zoals onder Keizer Karel, ook wel Karel de Grote genoemd. Hij leefde van 742 tot 814 en hij herenigde een groot deel van het Frankrijk en Duitsland van nu. Hij zorgde voor de verbreiding van de wetenschap en het christendom in heel zijn rijk. Karel de Grote liet het bestuur over aan vazallen, deze mensen leenden land van de keizer en moesten hem bescherming geven en het land onderhouden. Dit systeem van leenmannen en de leenheer noemt men nu het feodalisme. Na de dood van Karel de Grote kwam zijn zoon aan de macht, die eigenlijk niet kon omgaan met zo’n groot rijk. De leenmannen voelden zich nu koning in hun stukje land en zo ontstonden er kleine vorstendommen.
Lees verder over de middeleeuwen. De hoge middeleeuwen en late middeleeuwen
|